Column 'Het gesprek dat niet gevoerd werd'
door Sander de Hosson, palliatief- en longarts in het WKZ in Assen, bestuurslid van Carend
Op de gang van het ziekenhuis staat een man tegen de muur geleund. Hij is ergens in de vijftig.
Zijn vrouw ligt een paar kamers verder met uitgezaaide kanker. De ziekte is de afgelopen snel verslechterd .
We hebben net het gesprek gehad dat artsen soms moeten voeren.
Dat behandelen niet meer helpt. Dat doorgaan met chemotherapie niet langer beter maakt. Dat het tijd wordt om de zorg anders te richten.
Hij knikte steeds tijdens het gesprek, maar zei niet zo veel. Alleen af en toe: “Ja.”
Nu staat hij hier.
Wanneer ik langsloop, kijkt hij op.
“Mag ik u nog iets vragen?” zegt hij.
We gaan even zitten in de familiekamer. Die met van die mooie banken. De man kijkt naar zijn handen.
“Het is misschien een rare vraag,” zegt hij.
Dit zijn de belangrijkste vragen, weet ik uit ervaring.
“Ik weet niet of ik met mijn kinderen over dit alles moet praten.”
Zijn kinderen zijn acht en elf. Dat weet ik uit de status.
“We hebben er eigenlijk nooit echt over gesproken,” zegt hij. “Over doodgaan bedoel ik.”
Hij zegt het woord bijna fluisterend. Alsof het nog steeds iets is wat je beter niet hardop kunt zeggen.
“Ik wil ze niet bang maken.”
Die zin hoor ik vaker. En ik begrijp hem. Ouders willen hun kinderen beschermen. Tegen verdriet. Tegen angst. Tegen de harde werkelijkheid.
Maar kinderen leven vaak allang met die werkelijkheid. Ze merken dat hun moeder steeds vaker moe is. Dat ze minder eet.
Dat er veel bezoek komt. Dat er anders wordt gepraat in huis.
Kinderen voelen dat er iets niet klopt. Alleen weten ze niet precies wat. En wanneer niemand het uitlegt, gaan ze zelf zoeken naar een verklaring.
Soms denken ze dat hun moeder beter wordt zodra de chemo weer begint.
Soms denken ze dat zij zelf iets verkeerd hebben gedaan.
Soms denken ze dat doodgaan iets is dat zomaar ineens gebeurt.
“Ik weet niet wat ik precies moet zeggen,” zegt de man.
Dat is misschien wel de eerlijkste zin die er is.
Niemand weet precies wat je in deze hartverscheurende situatie moet zeggen.
Er bestaan geen perfecte woorden voor de dood. Maar wel zijn er eerlijke woorden.
Je kunt zeggen dat mama heel ziek is.
Dat de dokters proberen haar zo goed mogelijk te helpen. Dat ze niet meer beter kan worden. Ook dat ze dood gaat.
En dat we haar klachten nog zo goed mogelijk willen bestrijden. Dat klinkt misschien best hard. Maar onduidelijkheid kan nog veel harder zijn.
De man knikt langzaam. Hij kijkt naar buiten. Het begint al donker te worden.
“Ze vragen er soms naar,” zegt hij. “Maar dan zeg ik dat het wel goedkomt.”
Hij zwijgt even. “Maar ik geloof dat zelf eigenlijk ook niet meer.”
Het is een pijnlijk moment. De werkelijkheid -die ik net vrij onomwonden heb verteld - begint langzaam in te dalen.
'We hebben het lang geprobeerd,' zegt hij. 'De dood buiten ons leven te houden.'
Dat is ze gelukt. Althans dat denken ze. Hij was er niet, niet in hun huis, niet in het gesprek, niet aan de keukentafel.
Maar zijn kinderen zijn hem al zeker tegengekomen. In alles wat er niet werd gezegd. In de fluistergesprekken in de keuken.
Inmiddels heb ik ervaring met kinderen en de dood. Ik weet dat ze dan vaak sterker zijn dan door hun ouders gedacht.
Niet omdat ze geen verdriet hebben. Integendeel. Maar omdat ze de waarheid meestal beter verdragen dan de stilte eromheen.
Toen de man opstond om terug te gaan naar zijn vrouw, draaide hij zich nog even om.
“Ik moet ze het gaan vertellen, hè,” zegt hij.
'Ja,' zeg ik. Ik wens hem sterkte. 'Doe het maar,' zeg ik.
En vanuit overtuiging en ervaring voeg ik nog iets toe: 'Ze zullen jóu daarbij helpen...'